Problemen in de praktijk bij ontslaguitkering aan oudere werknemers
Als de Belastingdienst de handreiking van 7 december 2010 strikt volgt en toepast, kunnen zich in de praktijk problemen voor gaan doen. In deze handreiking geeft de Belastingdienst aan voor welk gedeelte van de ontslagvergoeding de weg naar de stamrechtvrijstelling van artikel 11 Wet LB openstaat. Met andere woorden: kan belastingheffing over de ontslagvergoeding volledig worden uitgesteld naar de toekomst? Of is een deel van de ontslagvergoeding op het beëindigingmoment belast, omdat dat deel niet kwalificeert voor de stamrechtvrijstelling?
In 2006 trad de VPL-wetgeving in werking. Doel van deze wetgeving was om een einde te maken aan het fiscaal ondersteunen van vervroegde pensionering. Zo werd de VUT fiscaal afgeschaft, moest ter behoud van de fiscale faciliteit de pensioenleeftijd worden verhoogd van 60 naar 65 jaar en werd geen premieaftrek meer verleend voor overbruggingslijfrenten. Dit alles om de participatiegraad van oudere werknemers te verhogen. Door het wegnemen van de fiscale faciliteit is op dit punt al succes geboekt. De participatiegraad is de afgelopen jaren ook toegenomen. Toch blijft effectief ouderenbeleid bij ondernemingen een lastige zaak en wordt niet zelden besloten de werknemer voor het bereiken van de pensioendatum uit dienst te laten treden. Als de werkgever bij uitdiensttreding een vergoeding aan de werknemer betaalt, moeten werkgever en werknemer zich door een aantal fiscale spelregels heen worstelen.
De ontslagvergoeding is natuurlijk gewoon loon uit vroegere dienstbetrekking en dus belast. De vraag is dan of sprake is van een RVU waardoor de werkgever mogelijk een strafheffing verschuldigd wordt. Na deze beoordeling, die vooral voor de werkgever van belang is, is voor de werknemer een andere vraag aan de orde. Wenst hij de vergoeding geheel of gedeeltelijk aan te wenden voor de aankoop van een recht op periodieke uitkeringen (stamrecht), zodat belastingheffing kan worden verschoven naar het moment waarop daadwerkelijk uitkeringen worden genoten? Voor deze afweging geeft de Belastingdienst nu strikte regels.
Regeling voor vervroegde uittreding (RVU)
De door de werkgever met de werknemer afgesproken ontslagvergoeding (of de door de kantonrechter vastgestelde ontslagvergoeding) moet worden beoordeeld op de regels inzake de RVU (regeling voor vervroegde uittreding). Als de ontslagvergoeding kwalificeert als RVU, wordt de werkgever geconfronteerd met een strafheffing van 52% over de ontslagvergoeding.
Wel of geen stamrecht
Een ontslagvergoeding is loon uit vroegere dienstbetrekking en wordt belast bij de werknemer. Dit is alleen anders als de werknemer een recht op periodieke uitkeringen, een zogenaamd stamrecht, bedingt. Een stamrecht dat dient ter vervanging van het loon dat de werknemer in de toekomst derft. In dat geval wordt niet de ontslagvergoeding zelf belast, maar worden de toekomstige periodieke uitkeringen belast.
Niet alle inkomensbestanddelen kwalificeren voor toepassing van de stamrechtvrijstelling. Zo is een nabetaling of de uitbetaling van vakantiegeld gewoon loon, maar kan de stamrechtvrijstelling niet deelachtig worden. Dat komt omdat er geen sprake is van gederfd of te derven loon. Een vergelijkbare situatie geldt bij oude werknemers die een forse vergoeding krijgen op latere leeftijd, een vergoeding die niet in verhouding staat met de gederfde inkomsten van de werknemer. Met name in de top van het bedrijfsleven zie je dat dergelijke vergoedingen worden afgesproken. Ook dan moet, wil de stamrechtvrijstelling van toepassing zijn, de vergoeding dienen ter zake van gederfd of te derven loon. De Belastingdienst heeft met de handreiking van 7 december 2010 voor het eerst invulling gegeven aan de vraag hoe is vast te stellen welk deel voor een stamrecht in aanmerking komt en welk deel niet. Met andere woorden, hoeveel bedraagt de stamrechtruimte?
Stamrechtruimte
In de handreiking, waarin (te) uitvoerig wordt uitgelegd waarom hij is geschreven, wordt het begrip stamrechtruimte geïntroduceerd en gedefinieerd. Als de met de werkgever overeengekomen ontslagvergoeding uitgaat boven de objectief vastgestelde stamrechtruimte, kan de ontslagvergoeding slechts gedeeltelijk worden aangewend voor een stamrecht. Het bedrag, dat uitgaat boven de stamrechtruimte mag niet worden aangewend voor een stamrecht en wordt direct belast.
De stamrechtruimte bestaat uit de som van de fiscaal maximale bedragen die kunnen dienen voor vergoeding van de inkomens- en pensioenschade. Over de definitie van de inkomens- en pensioenschade is wel wat af te dingen. De Belastingdienst sluit voor de vaststelling van de pensioenschade aan bij de premie die de werkgever voor de werknemer betaalt. Dat is een simpele benadering die geen recht doet aan de feitelijke pensioenschade van de werknemer, maar daar valt in de praktijk wel mee te werken. Meer venijn zit er in de definitie van inkomensschade. De inkomensschade wordt berekend over de periode tot ‘het eerst voordoende (of reeds verstreken zijnde), reguliere ingangsdatum (richtdatum) van een ouderdomsvoorziening zoals VUT, prepensioen, vroegpensioen of ouderdomspensioen’. Met deze strikte definitie van de reguliere pensioenleeftijd zijn nog wel wat discussies te verwachten. De noodzaak en de wettelijke basis voor een strikte uitleg is er ook niet. In een uitspraak van Hof Amsterdam uit 1980 is een beperktere uitleg van de Belastingdienst aan de stamrechtruimte ook al aan de orde geweest. Het hof overwoog toen ‘dat voor de toepassing van artikel 31, lid 1 (vervanging van te derven inkomsten) niet meer vereist is dan het bestaan van een in het licht van de toenmaals bekende omstandigheid redelijke verwachting dat de inkomensderving ter zake waarvan de schadeloosstelling is toegekend zich inderdaad zal voordoen’. Dat lijkt toch beduidend ruimer dan de stelling die de Belastingdienst nu in de handreiking inneemt.
Laten we eens kijken hoe de kantonrechter omgaat met de vaststelling van de hoogte van de ontslagvergoeding.
Pensioenplafond in de kantonrechtersformule
Een ontslagvergoeding voor een werknemer met veel dienstjaren kan erg duur worden. In de aanbevelingen van de kring van kantonrechters is in een aparte bepaling een plafond opgenomen voor oudere werknemers. De ontslagvergoeding hoeft niet hoger te zijn dan het inkomensverlies.
In de aanbeveling wordt de ontslagvergoeding gemaximeerd op de inkomensderving tot aan de redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum van de werknemer. In de toelichting bij die aanbeveling wordt opgemerkt dat de werknemer vrij is om deze pensioendatum te vervroegen dan wel uit te stellen. In de vaststelling van de hoogte van de ontslagvergoeding lijkt een subjectief element besloten te liggen, dat in dezelfde alinea wordt geobjectiveerd. Er wordt namelijk gesteld dat hetgeen in de branche, binnen een groep van bedrijven of binnen een bedrijf gebruikelijk is, een rol speelt. Precies dit onderdeel is aan de orde geweest in een procedure voor de rechtbank Leeuwarden.
In die procedure stond de hoogte van de ontslagvergoeding ter discussie, waarbij de ‘te verwachten pensioneringsdatum’ van de werknemer een belangrijke rol speelde. De rechtbank volgde de werkgever in zijn stelling dat bij deze werkgever de redelijkerwijs te verwachten pensioendatum op 62,5 jaar lag. De werkgever kon deze pensioenleeftijd niet alleen aantonen door te verwijzen naar de gemiddelde pensioenleeftijd van zijn werknemers maar evenzeer door te laten zien dat deze pensioenleeftijd financieel ook prima haalbaar was.
In afwijking van de fiscale uitleg van het begrip ‘te derven loon’, wordt in de kantonrechtersformule wel rekening gehouden met inkomensvervangende uitkeringen. De vraag in hoeverre sprake is van inkomensderving, moet volgens Hof Den Bosch worden beoordeeld, rekening houdend met eventuele inkomensvervangende uitkeringen. Dat houdt in dat een eventuele WW-uitkering of een IOAW-uitkering moeten worden meegenomen in de berekening van het te derven inkomen.
De bepaling inzake het pensioenplafond van de kantonrechtersformule bevat door dergelijke correcties een evenwichtige vaststelling van de aan werknemer te betalen ontslagvergoeding.
Hoe gaat dit nu in de praktijk?
De werkgever die bij ontslag een stamrecht aan een werknemer toekent zal, voordat de vergoeding wordt betaald aan de bank of verzekeraar van het stamrecht, een verklaring van de Belastingdienst wensen dat de vergoeding zonder inhouding van loonheffing kan plaatsvinden. Ik kan mij voorstellen dat deze verklaringen, die overigens geen wettelijke basis hebben, langer op zich laten wachten. Je mag verwachten dat de Belastingdienst nu eerst een sommetje gaat maken van de stamrechtruimte. Past de afgesproken ontslagvergoeding in de stamrechtruimte, dan kan de verklaring worden verstrekt. Zo niet, dan kan de berekening worden meegestuurd. Of zou de Belastingdienst nog steeds volstaan met de opmerking dat inhouding van loonheffing achterwege mag blijven onder de voorwaarde dat de storting bedoeld is voor een stamrecht ter zake van gederfd of te derven inkomen?
Vereenvoudiging
De kantonrechter stelt de hoogte van de ontslagvergoeding vast. Vanuit de Wet LB moet de Belastingdienst toezien op juiste toepassing van de wet en moet zelfstandig beoordelen of een inkomensbestanddeel valt onder de definitie ‘gederfd of te derven loon’.
Ik ben van mening dat de Belastingdienst op basis van de huidige wettelijke bepalingen ook kan besluiten dat de ontslagvergoeding die de kantonrechter vaststelt op basis van aanbeveling 3.5 (het pensioenplafond) integraal kan worden aangewend voor een stamrecht. Dat zou de stamrechtpraktijk aanmerkelijk kunnen vereenvoudigen.
Bron: AN nr. 20
Bij vragen over dit artikel kunt u vrijblijvend contact opnemen met een van onze adviseurs.
Wij leren u met uw plannen, of die nu groot of bescheiden zijn, graag kennen, Hof Groep Accountants & Adviseurs.
E. info@hofgroep.nl T. +31 (0)416 - 56 78 78 W. www.hofgroep.nl W. www.hofgroep-kennisnet.nl
Terug naar actualiteiten rubriek Werkgever
|
|
Colofon
Deze website is onderdeel van Hof Groep Accountants & Adviseurs. De nieuwsberichten die wij op onze websites en nieuwsbrief publiceren zijn van algemene informatieve aard.
Afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van een specifiek geval kan de informatie op bepaalde gevallen niet, dan wel niet onverkort van toepassing zijn. De informatie op onze websites
en de nieuwsbrief is niet bedoeld als, en dient niet te worden beschouwd als, financieel of juridisch advies van welke aard dan ook.
Hof Groep Accountants & Adviseurs is niet aansprakelijk voor de gevolgen van het eventuele gebruik dat van de informatie wordt gemaakt.
Voor onze algemene voorwaarden klik hier (de pagina wordt in een nieuw venster geopend, zie onderaan de pagina).
Voor financieel, strategisch of fiscaal advies met betrekking tot uw specifieke situatie kunt u contact opnemen met:
| Hof Groep Accountants & Adviseurs Vestiging Waalwijk Grotestraat 132a 5141 HC Waalwijk Vestiging Breda Ceresstraat 13 Breda T. 0416 - 56 78 78 F. 0416 - 56 78 79 info@hofgroep.nl www.hofgroep.nl www.hofgroep-kennisnet.nl © ® 2011 all rights reserved Design by: |
|

